Interview met professor Bakx over hoogsensitiviteit

Prof. dr. Anouke Bakx (49) is bijzonder hoogleraar Begaafdheid aan de Radboud Universiteit Nijmegen en lector aan de Fontys Hogeschool Kind en Educatie. Ze is zelf hoogsensitief en is ook wetenschappelijk geïnteresseerd in het onderwerp.

Je bent hoogleraar op het gebied van hoogbegaafdheid, is er een verband tussen hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit?

Daar is in de wetenschap nog geen overeenstemming over. Er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat er een verband is, maar er zijn ook studies gedaan, waaruit dat verband niet naar voren kwam. Maar dit soort uitkomsten is pas echt wetenschappelijk bewezen als er meer eenduidigheid is, als het uit meerdere onderzoeken blijkt. Het gaat dan om wetenschappelijke, empirische studies die aan bepaalde criteria voldoen.

Wordt hoogsensitiviteit als begrip eigenlijk erkend in de wetenschap?

Er komt de laatste tijd steeds meer aandacht voor, en dat is heel mooi. In de wetenschappelijke tijdschriften, de peer review journals, noemen ze het Sensory Processing Sensitivity (SPS) of Environmental Sensitivity (ES) en dat komt heel dicht in de buurt bij wat wij hoogsensitiviteit noemen. Dat is pas zo sinds de laatste tien, twintig jaar, waarin je wat meer van dat soort wetenschappelijke studies ziet en het dus langzaamaan in de wetenschap erkend wordt. Onlangs is er een hoogleraar benoemd in Nederland, Corina Greven van het Donders instituut (Radboud universiteit), die expert is op dit terrein. Ik vind het heel goed en bijzonder dat er in Nederland een leerstoel voor is gekomen. 

Fotografie: Carola Spijkers

Als mensen mij vragen of hoogsensitiviteit nu echt bestaat, verwijs ik wel eens naar wetenschappelijk onderzoek. Maar ergens twijfel ik: zijn die onderzoeken wel betrouwbaar genoeg? 

Er moeten meerdere studies zijn die dezelfde uitkomsten geven, en ze moeten internationaal erkend en gepubliceerd zijn, dus aan bepaalde criteria voldoen. Ik geloof zelf als wetenschapper in hoogsensitiviteit, anders zou ik er geen onderzoek naar doen. Ik ben wel voorzichtig daarin. We hebben meer inzichten nodig: meer herhaalde studies of meerdere studies die hetzelfde duiden. Daar werk ik heel graag aan mee, want ik vind dat we nog wat extra wetenschap nodig hebben. 
Om nieuwe inzichten te verwerven en ook voor een stukje erkenning dat hoogsensitiviteit een samenhangend geheel van kenmerken is. Ik herken het zelf ook wel, dat mensen aan mij vragen: ‘Zijn die mensen niet gewoon een beetje gevoelig, is hoogsensitiviteit wel echt iets?’ Maar er gaan nu ook onder wetenschappers steeds meer stemmen op die vinden dat hoogsensitiviteit echt het onderzoeken waard is.

Als je tegenwoordig de lerarenopleiding doet, krijg je dan ook les over hoogsensitiviteit?

Ik weet het niet voor andere PABO’s, maar bij Fontys waar ik werk wel. Samen met een team zorgen we dat het thema hoogsensitiviteit op onze vijf  PABO’s aan bod komt: wat is het en wat zijn kenmerken van hoogsensitieve kinderen? Het herkennen van de signalen, het erkennen ervan en dan verkennen hoe je het kind zo goed mogelijk kunt begeleiden. Een concreet voorbeeld: waar zit een hoogsensitieve leerling fijn in de klas? Zet je ze aan een middentafeltje, waar ze overal en alles kunnen zien en in het centrum van alles zitten, of aan een raam of aan de rand, of vraag je het aan een kind zelf? Ik ben natuurlijk voor het laatste. 
Het is belangrijk voor leerkrachten dat ze de kennis hebben en dat ze vanuit die kennis passend kunnen handelen. Dat ze ook voor hoogsensitieve kinderen een heel goede leerkracht kunnen zijn. We doen ook onderzoek onder onze studenten. We vermoeden dat we bij onze studenten een hoger aantal hoogsensitieven gaan vinden dan bij andere opleidingen. 
Wat ik zelf heb gemerkt, is dat het voor studenten heel erg verhelderend werkt om meer te leren over hoogsensitiviteit. Dat ze zeggen: ‘Ik snap dat kind uit mijn stageklas nu veel beter’, maar ook best veel studenten die zeggen: ‘Dat heb ik ook!’ Ik merk dat er steeds meer studenten naar me toe komen die zeggen dat ze ook hoogsensitief zijn. 

Hebben jullie nadeel van het zweverige imago dat hoogsensitiviteit ook soms wel heeft?

Bij de PABO’s ervaar ik dat niet zo, mensen staan daar wel open ervoor. De studenten, dat zijn jongeren, vinden het een heel interessant onderwerp. In de wetenschap loop ik daar wel eens tegen aan. Dat komt onder andere omdat we nog niet heel erg veel grootschalige wetenschappelijke studies hebben om op voort te bouwen. Dat is lastiger en daar ligt een mooie uitdaging, om daar zelf een bijdrage aan te leveren.

Is er eigenlijk een parallel te trekken tussen hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit? Het zijn allebei eigenschappen en hoogbegaafdheid is erg geaccepteerd in de maatschappij. Zou het kunnen dat hoogsensitiviteit een beetje hetzelfde traject gaat volgen maar dan vertraagd?

Ik zie veel paralellen tussen de ontwikkeling van de onderzoeksdomeinen.  Het aantal kinderen met specifieke kenmerken lijkt te groeien, er komen steeds meer groepjes, maar eigenlijk krijgen we meer inzichten in persoonsgerelateerde kenmerken. Studenten zeggen wel eens: ‘We moeten met zoveel dingen rekening houden, autisme, dyslexie, noem maar op, en dan deze ook nog!’ Dan leg ik uit: hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit zijn geen stoornissen, en horen daarom niet in zo’n rijtje thuis. Daarin komen die twee begrippen overeen. 

Dat geeft me wel hoop, als je zegt dat hoogbegaafdheid al erg is geaccepteerd en het zou kunnen dat hoogsensitiviteit ook die kant op gaat.

Dat zou mooi zijn, maar ik denk wel dat het echt lang gaat duren. Hoogbegaafdheid is erkend, niemand zal zeggen dat het niet bestaat, maar dat wil niet zeggen dat iedereen er positief in staat of dat alle scholen vinden dat die kinderen andere onderwijstrajecten nodig hebben. Ik hoop dat de erkenning ook voor hoogsensitiviteit er gaat komen.

Ik zeg gemakkelijk tegen anderen dat ik hoogsensitief ben. Het is toch niets om je voor te schamen?

In hoeverre heb jij zelf profijt van je hoogsensitiviteit?

Stap één is dat je het van jezelf weet, anders kun je het ook niet inzetten als een kracht. Hoe langer ik me ervan bewust ben, hoe meer profijt ik ervan heb. Omdat ik weet wat ik nodig heb, ik let heel goed op mijn energie, mijn batterij. Dat ik die goed op tijd vol maak of vol houd. Ik heb profijt ervan dat je veel ziet, hoort en voelt. Met name in contact met anderen. Dat je in situaties soms meer hoort dan wat er gezegd wordt. Ik bevraag dat dan ook: ‘Het wordt wel niet uitgesproken, maar kun je hier iets over zeggen?’. Het werkt als een soort radar, denk ik.
Ik ben erg gevoelig voor sfeer, ik pik snel iets op. Dat benoem ik inmiddels ook. Als dat positief is, is dat hartstikke fijn, maar als er iets minder is of er lijkt een conflict te zijn, dan benoem ik dat ook graag. 

Kun je daar een voorbeeld van geven?

Als ik bijvoorbeeld word uitgenodigd bij een projectgroep die een vergadering heeft van negen tot half elf, en ik word gevraagd om om tien uur aan te sluiten. Dan kom je in een groep die al een uur aan het werk is, en dan merk je bijvoorbeeld dat er spanning in de lucht hangt. Dan moet ik vrolijk gaan beginnen met waar ik voor gevraagd ben. Dat voel ik dan aan en kan taxeren of ik het ga laten liggen of is het belangrijk voor het resultaat dat dit benoemd wordt? Ik denk dat het met hoogsensitiviteit te maken heeft dat je dit aanvoelt en dat je daar een goede inschatting in kan maken.
In één-op-één-contact heb ik een stukje empathie. Ik merk, bijvoorbeeld in gesprek met leerkrachten die werken met hoogbegaafde kinderen, dat je begrijpt dat het best wel moeilijk kan zijn voor ze. Dat je dat authentiek over kunt brengen en dat mensen merken dat je het echt snapt.

Je zei net dat je er goed voor zorgt dat je batterij vol blijft. Hoe doe je dat?

Dat is best een uitdaging. Ik probeer mijn agenda heel goed te plannen. Ik maak geen dubbele afspraken, dat ik dus twee dingen half doe, maar ik maak de keuze om één ding goed te doen. Ik probeer mijn afspraken te beperken, als ik overdag een volle werkagenda heb, ga ik niet ook een avondbijeenkomst voor het werk plannen. Dat deed ik vroeger wel. Nu denk ik: er moet ook wat  vrije ruimte inzitten.
Ik plan ook niet meer alle vergaderingen achter elkaar zonder pauze. Soms zijn die dagen er nog wel, maar die moet ik niet teveel achter elkaar hebben. Afwisseling is voor mij ook belangrijk: dan ben ik bezig met een artikel, dan heb ik een projectgroep, dan een overleg, dan geef ik les of  geef ik bijvoorbeeld een lezing. Ik doe liever twee lezingen per week goed, in plaats van tien achter elkaar.

Dat lijkt me een goede tip: zorgen dat je positieve prikkels blijft krijgen uit je werk, ook door afwisseling.

Dat is in mijn werk niet moeilijk, hoor. Het is bijna allemaal leuk, dat is wel heel fijn. Ik moet er alleen op letten dat ik niet te veel oppak en te veel initiatieven neem. Ik vind het daarnaast ook belangrijk om betekenisvol werk te doen. Mijn basis is: goed opletten of mijn batterij vol is, want dan functioneer ik beter. 

Ik ben erg gevoelig voor sfeer, ik pik snel iets op. Dat benoem ik dan ook.

Wat is jouw belangrijkste drijfveer? Vind jij dat iedere HSP zou moeten ontdekken dat hij hoogsensitief is, dat dit goed zou zijn? 

Mijn onderzoeks- en onderwijsactiviteiten gaan vooral over het basisonderwijs, en mijn drive is dat ik vind dat elk kind zich optimaal mag ontwikkelen, ongeacht de kenmerken die het heeft. Of juist rekening houdend met de kenmerken. Omdat er nog relatief weinig bekend is over hoogsensitiviteit, wil ik daar graag een bijdrage aan leveren, dus meer bekendheid geven aan de set van kenmerken, wat het met een kind kan doen, en hoe je er rekening mee kunt houden. Het zou fijn zijn als we gedrag anders kunnen bekijken. Ik weet nog dat een leerkracht mij eens aansprak over een kind. Ze vond het lastig dat het meisje in de pauze een beetje aan het rondscharrelen was op het schoolplein, langs het hek naar beneden stond te kijken, en weinig interactie had met andere kinderen. Nu mag je natuurlijk niet zomaar de conclusie trekken dat het een hoogsensitief kind zou zijn, maar dat springt wel meteen bij mij in gedachten. Misschien is dat meisje wel lekker aan het ontprikkelen. Ik zei: ‘Vraag eens: wat ben je aan het doen, hoe gaat het met je?’ Als zo’n kind eigenlijk heel zen aan het rondscharrelen is, is het geen probleem. Maar als je mindmap bestaat uit: buitenspelen is lekker met andere kindjes spelen en altijd druk in interactie zijn, dan lijkt dat opeens een zorgelijke observatie. Terwijl dat vanuit een breder perspectief niet zo hoeft te zijn.
Die kennis daarover vind ik heel belangrijk. Als ik een bijdrage kan leveren, zowel door kennis te delen die anderen al hebben gerealiseerd als door zelf onderzoek te doen, dan vind ik dat heel fijn.

Zeg jij gemakkelijk tegen anderen dat je hoogsensitief bent?

Ja, daar kan ik volmondig ja op zeggen. Ik identificeer me best wel met datgene wat er al bekend is over hoogsensitiviteit. Mijn collega’s weten het ook. Door je vraag denk ik ineens: het is toch niets om je voor te schamen? Natuurlijk zeg ik het alleen als het er toe doet, het is niet zo dat ik in een voorstelrondje mijn functie beschrijf en dan zeg: ‘En ik ben hoogsensitief’, dat doet dan niet ter zake. Wat ik wel vaker de laatste paar jaar heb, is dat ik het benoem als er een opening is in het gesprek: ‘Heb je wel eens gehoord van het concept hoogsensitiviteit? Dat zou kunnen verklaren wat je nu beschrijft, wil je dat ik eens iets vertel erover?’. Dan krijg ik wel vaker reacties dat mensen er wat over zijn gaan lezen en er veel in herkennen. Mensen vinden het vaak heel fijn als je zegt dat je zelf ook hoogsensitief bent. Nu weet ik wel al meer dan vijftien jaar dat ik hoogsensitief ben.

Heb je nog tips voor hoogsensitieve mensen?

Nagaan hoe je sommige dingen goed kunt inzetten als een kracht. Ik zie het zelf inmiddels als een soort talent, of als iets heel fijns om te zijn. Heel soms hoor ik van andere mensen dat ze het lastig vinden om hoogsensitief te zijn, en dat vind ik jammer. Het is ook maar door welk vergrootglas je kijkt, hoe je het gaat ervaren. Ik heb zelf het positieve vergrootglas vast, dat vind ik wel heel fijn. Dat lukt natuurlijk niet altijd, maar meestal wel. De manier waarop je naar dingen kijkt, zo gaan ze op een gegeven moment ook worden.

Meer lezen?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *